de BROQUEVILLE, Graaf Charles, M.-P.-A.

Geboren te Mol op 4 december 1860.

Overleden te Brussel op 5 september 1940.

 

Minister van Staat.

Eerste Minister, 1911-1918, 1932-1934.

Minister van Landbouw en Middenstand, 1932.

Minister van Oorlog, 1912-1917, 1932-1934.

Minister van Binnenlandse Zaken, 1918-1919.

Minister van Buitenlandse Zaken, 1917-1918.

Minister van Nationaal Herstel, 1918.

Minister van Spoorwegen en P.T.T., 1910-1912.

Lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers.

 

Grootkruis Leopoldsorde, Oorlogskruis 1914-1918, Burgerlijk Kruis 1ste Klasse 1914-1918, Herinneringsmedaille van de Veldtocht 1914-1918, Overwinningsmedaille, Burgerlijk Kruis 1ste Klasse, Regeringsmedaille van Koning Leopold II, Herinneringsmedaille van het Eeuwfeest.

Ordeketen Orde van St. Michaël en St. Joris Groot-Brittannië, Baljuw Grootkruis van Eer en Devotie Soevereine en Militaire Orde van Malta, Grootkruis Orde van St. Maurice en St. Lazarus Italië, Orde van de Eiken Kroon Luxemburg, Orde van de Witte Adelaar Rusland, Orde van de Verlosser Griekenland, Orde van de Nederlandse Leeuw, Orde van de Rijzende Zon Japan, Danebrog Orde Denemarken, Legioen van Eer Frankrijk, Kroonorde Roemenië, Al Merito Orde Chili, Pius Orde Vaticaan en Nijl Orde Egypte, Oorlogskruis 1914-1918 Frankrijk en Oorlogskruis 1914-1918 Italië.

 

 

 

 

Tijdens de Eerste Wereldoorlog speelt Charles de Broqueville een sleutelrol als regeringsleider.

Charles de Broqueville begon zijn politieke carrière als Volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Turnhout in 1892, wat hij zou blijven tot november 1919.

Op zijn vijftigste, in 1910, werd hij Minister van Spoorwegen.

In 1911 viel het kabinet Schollaert over de schoolbon, die op weerstand van Koning Albert I gebotst was. Het kabinet Schollaert wilde met zijn nieuw onderwijsvoostel de schoolplicht optrekken tot veertien jaar en tegelijk alle scholen op gelijke voet subsidiëren. Om dit te bereiken had hij een systeem van schoolbons bedacht die aan de ouders zouden worden toegestuurd en die  zouden de ouders kunnen inleveren bij de school van hun keuze.

Op 9 juni 1911 werd Charles de Broqueville Eerste Minister, of Kabinetshoofd zoals het toen genoemd werd. Onder zijn bewind wordt op 28 mei 1913 de wet op de militaire dienstplicht gestemd – in het kader van de nakende oorlogsdreiging – welke één zoon per gezin dienstplichtig maakt en de wet op lager onderwijs tot 14 jaar in 1914.

In 1914 besloot de regering de neutraliteit met de wapens te verdedigen.

De Eerste Minister had het druk. In het belegerde en bijna afgesneden Antwerpen overreedde hij de militairen om, samen met de Koning, de terugtocht naar de kust aan te vatten. Als Minister van Oorlog leidde hij mee het leger dat, in moeilijke omstandigheden, terugplooide achter de IJzer.

De regering kwam in het Franse Le Havre terecht. De regeringsleider bleef echter in West-Vlaanderen wonen, vlak bij de Vorst. Met hulp van de Verenigde Staten kon men in het binnenland de hongersnood voorkomen, ondanks Engelse en Franse bezwaren.

De Broqueville voerde tijdens de oorlog een afgewogen en onafhankelijke politiek, gericht op het sparen van het leger en herstel van de vrede, zonder overtrokken eisen, en liefst zonder zich met handen en voeten te binden aan de drukkende grootmachten Frankrijk en Groot-Brittannië.

Een eerbare vrede zat er echter niet in.

Hij evolueerde tijdens de oorlogsjaren van Kabinetshoofd naar een leidinggevende Eerste Minister. Niet zonder risico. Zijn ‘Komiteit voor Oorlog en ’s Lands Wederopbouw’ vormde in feite een kernkabinet, met één oog gericht op de politieke toekomst na de oorlog. In 1917 nam de Broqueville de portefeuille van Buitenlandse Zaken van Baron Beyens over.

Tegenover de Vlaamse soldaten stond de Broqueville meer begrijpend dan anderen. Hij wilde tegemoetkomen aan Vlaamse eisen omdat hij dacht dat dit voor de Belgische staat een kwestie van leven of dood was. Op 13 januari 1916 verstuurt hij een eerste circulaire, waarop hij aandringt op de correcte toepassing van de taalwet van 1913 en de aalmoezeniers, officieren en onderofficieren aanspoort om met de soldaten te praten in hun moedertaal.

Tijdens de oorlogsjaren zaten zowel de Koning als de Broqueville dicht bij het front. De Ministers zaten in Le Havre. Beslissingen drongen zich soms onverhoeds op. De verantwoordelijkheid was zwaar, een incident altijd mogelijk. De Eerste Minister zat tussen twee vuren, regering en Koning. De stress lag in zulke momenten op de loer, zeker toen het Duitse leger in 1918 zijn lentenoffensief inzette. Op 17 april vroegen de Franse President Poincaré en opperbevelhebber Maarschalk Foch Koning Albert om het bevel over het leger aan de Geallieerden over te dragen. Ze vingen bot.

Koning Albert I beschouwde wat in de Grondwet staat ‘De Koning is Opperbevelhebber van het Leger’ niet als een dode letter. De legeradministratie, de operaties en de oorlogspolitiek genieten zijn aandacht. De Koning is van oordeel dat in oorlogstijd en voor militaire operaties dit niet onder de voogdij van de Minister van Oorlog valt. Hij voert effectief het bevel, bijgestaan door de generale staf.

De ministers waren eenparig misnoegd omdat de Koning met de instemming en de handtekening van Generaal de Ceuninck, pink op de broeksnaad en de nieuwe Minister van Oorlog, Generaal Gillain tot stafchef benoemd had, zonder advies van de ministerraad. Op 24 april vertolkte de Eerste Minister dit standpunt bij de Koning. Op het einde van het onderhoud overhandigde de Broqueville achteloos een nota van zijn kabinetchef Louis de Lichtervelde, een nota waarin de persoonlijke bevelvoering van de Koning over het leger op constitutionele gronden betwist werd, en die hij maar vluchtig had kunnen doorlezen, zo zei de Broqueville.

Die nota viel bij de Koning in slechte aarde. De Regeringsleider moest de Koning dadelijk zeggen of de nota zijn gedachten weerspiegelde.

Het antwoord was ‘dubbelzinnig’. De Broqueville had het niet zo scherp bedoeld, maar Albert duldde geen kritiek op zijn bevelvoering. Uitleggen en rechtzetten was er niet meer bij.

De Eerste Minister was nu een gemakkelijke prooi geworden, zonder dekking. Een tweede tegenslag opvangen kon hij niet meer, want in en buiten de regering zat men niet stil, beter nog, men had nooit stil gezeten. Dit keer ging het over de Vlaamse Kwestie. Om het hoofd te bieden aan de Frontisten, had hij het programma van de pacifistische flaminganten gesteund. Hierop dreigden de liberale ministers met ontslag. Broquevilles vrienden steunden hem niet meer, toch niet openlijk.

Op 24 mei 1918 diende Charles de Broqueville zijn ontslag in als Eerste Minister. Het ontslag werd zondermeer aanvaard door de Koning en de katholiek Gerard Cooreman werd zijn opvolger. Op 31 mei 1918 werd hij tot Minister van Staat benoemd.

Het Verdrag van Versailles beoordeelde de Broqueville als te vernederend voor Duitsland. Een andere aanpak zou een betere aanpak voor vrede geweest zijn.

Na de oorlog was alles veranderd; er werden grote stappen gezet. De dreiging van een Rode Revolutie bracht het enkelvoudig stemrecht, ook voor vrouwen. De Katholieke volstrekte meerderheid was gebroken. Op het Vlaamse platteland hadden de oude, burgerlijke en leidinggevende standen het moeilijk. Hij werd Senator voor de Provincie Namen. In 1920 kreeg hij de titel van Graaf.

In 1925 bestreed de Broqueville als Minister van Landsverdediging Franssprekende liberalen als een Devèze die tegen Duitsland een grensverdediging met offensieve allures wilden vooropstellen, wat weinig realistisch was en de democratische Duitse regering uit die jaren niet versterkte.

De beurscrisis van 1929 sleepte België mee in de recessie en de werkloosheid. Besparen op uitgaven en lonen scheen de oplossing, inkrimpen dus, deflatiepolitiek. De regering gaf er in 1932 de brui aan. De Koning had een voorkeur dat de Broqueville opnieuw Eerste Minister zou worden.

De Broqueville zat weer in het zadel. De eerste hindernis waren de verkiezingen van 1932. Tegen de verwachtingen in won de Broqueville de verkiezingen.

De Eerste Minister had gehoopt dat in 1934 het einde van de financieel strakke broeksriem stilaan gelost kon worden. Maar het Pond en de Dollar devalueerden, en de talloze meningsverschillen verscheurden de regering. Om de haverklap werden er ministers vervangen. Op 6 juni 1934 leed de regering naar aanleiding van de gezinsvergoeding een nederlaag in het Parlement en bood haar ontslag aan.

Hierna verdwijnt Charles de Broqueville van het publieke toneel.

De oorlog van 1940 volgde hij nog met belangstelling en angst; Eerste Minister Pierlot had zich niet mogen laten scheiden van Koning Leopold III. Op 5 september overlijd hij te Brussel.

 

Brussel, Paleis der Natie.